‘Die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn’…

En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn.’ (Uit Romeinen 8 vers 28) *

* Voor degenen die vooral nadruk gelegd willen zien op dat ‘voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn‘ zie mijn ‘Opgemerkt’ onderaan.

Geciteerd: Bovenstaande tekst is een persoonlijke belofte die God geeft aan alle mensen die Hem liefhebben. Je mag weten dat God al de dingen die ons overkomen kan doen medewerken ten goede. Het gaat dus niet over het hele wereldgebeuren, maar het geldt voor de individuele gelovige.
Deze belofte is zo mooi en indrukwekkend dat je het bijna niet kunt geloven. Is het echt waar? Kan God alle dingen: mijn zonden, mijn fouten, de dingen die mij aangedaan zijn, doen meewerken (samenwerken staat er letterlijk) ten goede? Wij kunnen dit niet altijd verklaren, of begrijpen, maar mogen vertrouwen op de almacht en de liefde van God. Of is er nog iets dat ons kan helpen of bemoedigen? We kunnen onderzoeken hoe deze belofte heeft gefunctioneerd in het leven van de eerste christenen.
Allereerst Paulus zelf. Van hem krijgen we – nee: horen we! (AJ) – deze belofte. Hij heeft persoonlijk veel lijden doorgemaakt. Voordat hij christen werd, liet hij christenen arresteren, meesleuren uit hun huizen en opsluiten. Hij keurde de dood van Stefanus goed. Het zou een reden zijn om de rest van zijn leven hieronder gebukt te gaan. Hij draagt een doorn in het vlees met zich mee (wat dat precies is weten we niet). Hij heeft veel in de gevangenis gezeten, is een keer gestenigd en heeft 5 keer 39 zweepslagen gekregen. Hij is drie keer gegeseld en heeft 3 keer schipbreuk geleden. Hij weet wat lijden is, maar toch zegt hij dat hij mag weten dat God al deze dingen kan doen medewerken ten goede.
Hoe hebben de eerste christenen dit ervaren? Zij moesten al vroeg getuigen van hun geloof. Het woord getuigen komt van het Griekse woord marturio. (1) ‘Ons woord martelen’ en ‘martelaar’ is hiervan afgeleid. Gemarteld worden was namelijk vaak het gevolg wanneer je ging geloven in Jezus Christus. Tijdens deze vervolging van de vroege kerk, ontstond al snel de oudste belijdenis van de kerk: de apostolische geloofsbelijdenis. De eerste christenen gaven daarin kort weer wat voor hen de kern van het geloof was en er staat geen woord teveel in. Of misschien toch wel. In deze belijdenis wordt namelijk iets twee keer beleden. Aan het begin wordt beleden: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige. Tegen alle omstandigheden in wordt uitgesproken dat God Almachtig is en dat Hij een Vader is. Een goede Vader, Die houdt van Zijn kinderen. Daarna komt deze zinsnede nóg een keer voor. Het gedeelte over Jezus eindigt met: “…en zit aan de rechterhand van God, de Almachtige Vader”.
Waarom wordt het nog een keer herhaald? De eerste christenen werden gemarteld. Ze werden gedood, omdat ze geloofden in Jezus. Ze werden uit hun huizen gehaald en verloren hun bezittingen en hun positie in de samenleving. Ze wisten wat lijden was. Hun tegenstanders zullen aan hen gevraagd hebben: Waar is nu die God van jullie? Jullie belijden dat Hij almachtig is en van jullie houdt? Dat Hij liefde is? Maar kijk eens hoe je er aan toe bent? Waarom doet Hij niets? (2)
En dan beleden de eerste christenen tot twee keer toe, datgene wat in twijfel werd getrokken: Wij geloven in God. En Hij is almachtig. En Hij is een Vader.
Diezelfde God wil ook aanwezig zijn in ons leven. En voor ons geldt ook die belofte. Hij kan alle dingen doen medewerken ten goede. Het is begrijpelijk dat we dat niet altijd zo ervaren, zeker niet wanneer je in groot verdriet zit. Maar Hij is God en geeft ons deze belofte. We mogen erop vertrouwen. Want Hij is almachtig en liefdevol als een goede vader. (3)

(1) Het gaat dus om een ander soort getuigen en getuigenis dan dat van de apostelen. Die moesten oor- en ooggetuigen zijn van onze Heer.
(2) We horen de Psalmisten ook al over dat soort vragen van hun vijandig gezinde volksgenoten…
(3) We mogen het nog krachtiger zeggen: Diezelfde God is ook zo aanwezig in ons leven, want voor ons geldt ook die belofte. Hij zal alle dingen doen medewerken ten goede. Ook wanneer we het niet zo ervaren, zullen we dat toch (blijven) belijden. Want God Zelf geeft ons deze belofte als een Almachtig God (voor Wie niets onmogelijk is!) en als een liefdevol Vader. Zie verder de opmerkingen hieronder.

Opgemerkt: Voor hen, die vanuit hun kerkelijke achtergrond en opvoeding moeite hebben met de woorden ‘voor hen namelijk die overeenkomstig zijn voornemen geroepen zijn’, en zich afvragen kan ik mij onder die geroepenen scharen, zullen we hen en elkaar toch altijd weer hebben te wijzen op de Doop die ons overkomen is toen wij als kind gedoopt werden of die wij als volwassene ondergingen toen we het Evangelie gehoord hadden en hoorden dat we dan ook gedoopt behoren te zijn als lid van Christus’ gemeente hier op aarde. De leden van al de heidengemeenten die van de apostelen het Evangelie hoorden en zich lieten dopen, daarvan moeten we zeggen dat de Doop en ook de Evangelieverkondiging hen overkomen was. Zij hadden niet de apostelen uitgenodigd om hen eens over die nieuwe godsdienst/leer van hen te komen vertellen, nee de apostelen waren zomaar in hun stad verschenen en hadden hen daar het Evangelie verkondigd en daarbij gezegd dat ze zich moesten bekeren en zich laten dopen. Denk maar aan de gevangenbewaarder, hoe hij en zijn huis gedoopt werden. Denk ook aan hoe Paulus de dopelingen in de gemeente van de Korintiërs aanspreekt. Zij moesten beslist niet menen dat zij door de indrukwekkende redevoeringen van Paulus en z’n medewerkers tot het geloof waren bewogen, ook moesten ze niet menen dat zij op grond van een weloverwogen beslissing en met goede kennis van wat het Evangelie inhield besloten hadden om het Evangelie aan te nemen en om zich bij de/een gestichte gemeente van onze Heer aan te sluiten. Het vaste bewijs van hun roeping hadden ze ook niet uit hun geloofsbeslissing (of hartsbesluit) af te leiden (denk maar weer aan de Doop van de gevangenbewaarder en heel zijn huis), maar die was hen geschonken bij en door hun Doop. Hun Doop daar was niets toevalligs aan, want God had reeds lang tevoren besloten dat Hij hen die Doop zou laten overkomen en vanwege die Doop mochten ze ook zeker weten dat hen de Heilige Geest geschonken was en ook bij hen zou blijven. Zelfs voor de apostel Paulus lag het niet anders. Dat hij een kind van God was, dat wist hij vanwege zijn Doop. Niet vanwege zijn bijzondere roeping op de weg naar Damascus. Als God Ananias niet de opdracht gegeven had om naar Paulus te gaan en om hem ook te dopen (zie Handelingen 22 : 12-16), dan was zijn roeping niet bevestigd geworden en had hij ook geen zekerheid ontvangen over of ook aan Hem de Heilige Geest geschonken was en voortaan bij Hem zou blijven. Natuurlijk gold ook voor Paulus – net als voor alle gedoopten – dat we dan wel moeten blijven geloven (4) en de Heilige Geest door ons doen en laten niet bedroeven. Paulus geeft daar ook regelmatig blijk van, dat ook hij de goede strijd moet blijven strijden tot aan het eind van zijn leven. Aan het slot van zijn tweede brief hoor je de vreugde doorklinken in zijn woorden, namelijk dat hij die goede strijd tot dan toe (steeds weer) gestreden heeft en dat hij kan zeggen dat hij zijn wedloop inmiddels heeft volbracht en mag uitzien naar de krans van de gerechtigheid, die de Heer als rechtvaardige Rechter aan hem zal uitreiken en dat zal dan gebeuren samen met allen die naar Zijn komst hebben uitgezien – lees het na in 2 Timoteüs 4 : 6-18.

(4) Zie o.a. Kolossenzen 1 : 21-23.

Lees hierbij ook nog deze blog: ‘Christus belichaamt het ja van God...’

Bron citaat: Ecclesia nr 4, februari 2026 – ‘Meditatie ‘De almacht en liefde van God’ – door M. Dubbelman, Hardinxveld-Giessendam

Want Gods bedoeling met ons is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden door onze Heer Jezus Christus. Hij is voor ons gestorven opdat wij, of we nu op aarde zijn of gestorven zijn, samen met Hem zullen leven. Dus bemoedig en vertroost elkaar en wees elkaar tot voorbeeld, zoals jullie trouwens ook al doen.‘ (Uit 1 Tessalonicenzen 5 uit de verzen 9-28 : 9-11)

Bron afbeelding: Dr. J’s Apothecary Shoppe – WordPress.com

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie