‘De inspecteur begon met te veronderstellen dat ik een soort monster was‘ *
‘Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.’ (Uit Johannes 10 vers 27)
Geciteerd uit het ND-artikel over schoolmeester Theo Thijssen en zijn boek ‘De gelukkige klas’:
> Een ander fenomeen van de huidige tijd is de neiging vrij snel een etiket op leerlingen te plakken: ADHD, autisme, dyslexie et cetera. Om daarna de hulptroepen in te schakelen omdat er ‘iets mis is met dit kind’.
Natuurlijk kan dit zinvol zijn, maar Thijssen had daar ook zo zijn ideeën over: ‘Van kinderen die je alle dagen voor je hebt, verdwijnt de merkwaardigheid – tenzij je zover van hen raakt, dat je jezelf merkwaardig gaat vinden.’ (of: niet meer jezelf ook altijd nog merkwaardig blijft vinden).
Kortom: kijk (en luister) eerst goed naar een kind en vraag je allereerst af: wat kan ík betekenen voor deze leerling?
> Scholen komen vaak met het argument: ‘Dat moet van de inspectie of het bestuur.’ Thijssen wist honderd jaar geleden al raad met de onderwijsinspecteur: ‘Hij begint met te onderstellen dat ik een soort monster ben; een onderwijzer die zijn eigen klas, de kinderen waar ‘ie dag-aan-dag mee verkeert, kalmweg tekort doet.’
> Thijssen lapte dan ook regelmatig het rooster aan zijn laars omdat hij vond dat er andere dingen op dat moment belangrijker waren. En telkens weer lees je bij hem dat hij vooral wil dat kinderen zich prettig voelen in zijn klas.
En dat moet volgens mij nog steeds de basis zijn: zorg eerst dat een kind zich gezien weet en kom dan pas aan met je staartdelingen of je stam+t.
Of zoals Thijssen zijn boek eindigt: ‘M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaren of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren we enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik jullie dat nooit zeggen.’
* Vraag: Maar wat als broeders van het pastoraat je zo willen kwalificeren en de veronderstelling al voorbij zijn?
Opgemerkt n.a.v. het artikel:
> Wat hier in dit artikel geschreven staat, dat is toch werkelijk altijd mijn verlangen en streven geweest voor/binnen ons huwelijk en gezin!
Veel had ik daarover al geleerd vanuit het werk van mijn grootvader, die dat streven ook had en ook op zijn school en in de klassen waaraan hij les gaf dat in praktijk bracht en daarover schreef om ook anderen te motiveren ‘de ander’ te zien omdat wij ons door ‘dé Ander’ gezien en geliefd weten, wie en hoe we ook zijn wat aanleg en vaardigheden en tekortkomingen en eigenaardigheden betreft.
In het ouderlijk huis kregen wij ook de vrijheid om onze hobby’s (natuurliefde, voetbal, later ook m.n. vogelexcursies en vogelfotografie) te beoefenen. Wij hadden als opgroeiende kinderen een heerlijk thuis!
> Dat ik na de lerarenopleiding en drie jaar vormingswerk (1) niet aarden kond in het systeem van lesgeven en leerlingen toetsen het middelbaar onderwijs (gaf twee jaar biologie en aardrijkskundeles aan het JFC in Barneveld) had met name toch te maken met mijn overgevoeligheid en overprikkeling in en door de overvolle klassen, waardoor ik het zicht op de individuele leerlingen niet had en kreeg en daardoor ook mezelf en de leerlingen niet voldoende structuur kon bieden. Had altijd moeite om eraan te denken op tijd het vervolg huiswerk op te geven en om na vertrek van de leerlingen weer helder gereed te staan om de volgende overvolle klas te verwelkomen, te overzien (te zien/herinneren wie er nog wat moest inleveren, als ik het al tijdig genoteerd had, etc.) en om de te presenteren lesstof paraat te hebben en die hen op een aantrekkelijke manier voor te schotelen. (2)
Overgevoeligheid en overprikkeling en dat dag in en dag uit, het was maar goed dat ik mezelf niet belangrijk vond en mezelf en de leerlingen toch met (zelf)relativering en humor bleef bezien en dat ik thuis mijn moeiten en gebreken niet af reageerde op Yvonne en de kinderen! Integendeel zelfs, ze gaven mij vreugde en een gezonde en plezierige afleiding. En de rust die ik nodig had, die zocht ik in de natuur door veel te fietsen en te wandelen en door me daar te ontspannen, maar dat deed ik op momenten dat ons gezin dat ook hebben kon…
(1) Het vormingswerk in Rijssen was voor mij twee vliegen in één klap: We konden weg uit de drukke randstad en ik hoefde geen leraar te zijn met ieder uur weer een andere klas vol leerlingen. Als vormingsleiders maakten we veel gebruik van gastdocenten en hadden we iedere woensdag geen jongeren in huis, maar tijd om onze ‘programma’s’ voor te bereiden. Voor mij een goede plek om te beginnen en die eerste jaren als beginnend ‘werknemer/kostwinner’ te overleven. Toch was/bleek mij ook toen al duidelijk dat ik niet voor het ‘groepsleiderschap’ geboren was. Een hele groep mensen voor of bij me hebben, dat bleef een grote moeite voor me en dat is nog altijd zo!
(2) Na twee jaar aan het JFC besloot ik dan ook tot ontslag nemen en dat ondanks kostwinnerschap voor huwelijk en gezin met vier kinderen en ondanks dat het bestuur me ook nog weer een derde jaar wilde gunnen. Het bestuur gaf me toen ‘eervol’ ontslag om mij de WW-uitkering niet te laten ontlopen.
Bron citaat: ND Opinie – ‘Een leraar moet eerst het kind zien. Daarna komen de staartdelingen wel’ – door Jacques Vriens (oud-basisschooldirecteur en kinderboekenschrijver)
‘Welke vader onder jullie zou zijn kind als het om een vis vraagt, in plaats van een vis een slang geven. Of een schorpioen als het om een ei vraagt? Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de Heilige Geest geven aan wie Hem daarom vragen.‘ (Uit Lukas 11 uit de verzen 1-13 : 11-13)
Bron afbeelding: Pinterest