‘Ook wij moeten naar ‘Galilea’’…
Geciteerd: Verlangen en vervulling strijden met elkaar om de eerste plaats binnen het christelijk geloof. Steeds schrijnt de gebrokenheid, steeds verlangen we naar heelheid en steeds koesteren we de hoop op de komst van het Koninkrijk Gods, wanneer alles anders zal zijn. Tegelijkertijd worden we opgetild door de vreugde van het evangelie: ‘in principe’ is alles al volbracht. De dood is overwonnen en niets kan ons meer scheiden van de liefde van Christus. Heeft in de veertigdagentijd het accent meer op ‘nog niet’ gelegen, Pasen is het moment om de vervulling voluit te vieren. De Matteüslezing sluit daar mooi op aan. Omdat Matteüs niet spreekt over een hemelvaart, komt alle nadruk te liggen op de aanwezigheid van Christus onder ons, nu en tot in lengte van dagen.
Omdat Psalm 23 veel klinkt in tijden van ziekte en dood, wordt ‘huis van de Heer’ al snel geassocieerd met ‘hemel’. Alsof de psalm ons erop wijst dat we na onze levensweg voor eeuwig mogen ‘wonen’ bij God. Die blikrichting wordt niet opgeheven door ‘terugkeren’ te vertalen in plaats van ‘verblijven’. De laatste woorden van het Evangelie van Matteüs scherpen echter onze blik voor de paasboodschap. Terwijl wij een weg naar God probeerden te gaan, is Christus al naar óns toegekomen. Het mag zo zijn dat wij ooit in het huis van onze Vader mogen terugkeren, belangrijker is dat Christus nu onder ons woont, dat Hij alle dagen van ons leven bij ons is. Het Paasevangelie doet zo weer andere interpretatiemogelijkheden van Psalm 23 oplichten.
Met Psalm 23 staan we onderaan de berg waar God zijn woning heeft. Er was een tijd dat de tempel in Jeruzalem gelijkstond aan het huis van God. Maar daarnaast is er steeds het besef geweest dat God niet op één plek te vinden is, maar meetrekt met mensen. Niet voor niets kon de ark zó weer worden opgepakt om met het volk mee door de woestijn te trekken. God is met ons, wisten zij, waar wij ook gaan. De opdracht die aan de leerlingen wordt gegeven, om niet in Jeruzalem te blijven maar naar Galilea te gaan, zie ik als een opdracht om verder te trekken. Waar vriendschap is en liefde, daar is God. Niet op een vaste plaats, maar waar mensen in vrede wonen. Misschien vraagt dit besef om een heroriëntatie. Christus verschijnt niet in Jeruzalem, niet op een plek waar traditioneel de ontmoeting met God gezocht wordt. De leerlingen moeten naar Galilea. Galilea wordt daarmee niet een nieuw bedevaartsoord, maar staat voor Jezus’ leven. Zoals Hij toen onder de mensen leefde, lerend, helend, zo zal Hij onder de mensen aanwezig blijven, in woorden die onderscheiden, in gebaren die helen. Ook wij moeten naar ‘Galilea’, dat wil zeggen naar de momenten dat we Christus ‘aan het werk’ zien in ons leven. De momenten dat mensen herleven, de plaatsen waar verzoening doorbreekt. Wanneer we dat helder voor de geest hebben, verschijnt Christus. Bijna terloops, in een bijzin, maar onweerstaanbaar en vreugdevol. Wanneer we zó leven, komen we telkens weer terug in ‘huis van de Heer’, tot in lengte van dagen.
> Zie ook voorgaande blog: ‘Vreugde vinden in het bezig zijn met de Schriften…(I)‘
Bron citaat: theologienet-nl/preekschets – ‘Preekschets Psalm 23 vers 6 – Pasen‘
‘De Farizeeën vroegen Jezus: ‘Wanneer komt het Koninkrijk van God?’ Jezus antwoordde: ‘Het koninkrijk komt niet zo dat u het kunt zien. U zult niet kunnen zeggen: “Kijk, hier is het,” of “daar is het.” Want het Koninkrijk van God is onder u.’’ (Uit Lukas 17 de verzen 20-21)
Bron afbeelding: integratedcatholiclife-org