‘Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten.‘ (Uit Lukas 10 uit de verzen 25-37 : 30)
Opgemerkt: Mooi dat slot van onderstaande gedicht om te bidden altijd weer te zullen/mogen beseffen een geredde Christiaan te zijn en ook genoemd te worden, gevonden langs de weg en opgeraapt door onze genadige Redder.
En door Hem ook toevertrouwd aan een Herberg (Zijn Gemeente, als een plaatselijke gemeente) waar we op Zijn kosten verzorgd zullen worden.
Denk aan Paulus die van de weg geraapt werd toen hij op weg was naar Damascus.
Onze Heer vertrouwde hem toe aan Ananias, lid van Zijn gemeente te Damascus en later kwam hij in Jeruzalem nog weer onder de zorg van Barnabas.
En altijd weer zal Paulus vragen of de gemeenten weer voor hem en zijn zendings- en gemeentewerk zullen bidden. Hij beseft hun steun en zorg voor hem ook altijd weer nodig te hebben.
In die Herberg dragen wij zorg voor elkaar en dat altijd op kosten van onze Heer. Niemand kan als geredde Christiaan zich daar verheffen boven de ander en doen alsof hij of zij niet ook voortdurende zorg en medicijngebruik nodig heeft (en dus ook gebed en zo nodig correctie, etc.). We leven er allemaal elke dag op kosten van onze Heer en daar zullen we ons naar gedragen!
‘Gevonden in een oude doos’
KIES GIJ VOOR MIJ
Ik weet niet wat ik kiezen zal,
Om niet te spreken van de ‘isten’,
Van Calvijn en de Calvinisten,
Van Menno Simons en de Mennonisten,
Van Luther en de Ubiquisten,
De Baptist en de Piëtist,
De Labadist, de Sabbatist;
‘k Wou dat ik het wist.
Ik weet niet wat ik kiezen zal:
Een Zwingliaan, een Lutheraan,
Een Voetiaan of Cocceaan.
Zou dat in deze tijd nog gaan?
Nee, ik word… Kohlbrugge-aan!
Geen goede werken meer te zweten!
Mij wordt door niemand iets verweten,
De wet is dan een lijk voor mij,
Van Mozes ben ik eindelijk vrij.
Maar, och, mijn Puriteinse bloed…
Het Evangelie spreekt in mijn gemoed:
“Verbeter u, verbeter u, zó gaat ‘t niet goed!”
Is ’t Jezus’ stem, heb ik het goed verstaan?
Hoor slechts ‘t apostolische vermaan:
“Het goede werk dat moet gedaan.”
Ben ik nu toch een Voetiaan?
Misschien is Paauweaans nog wat,
Al was ‘t alleen voor ‘t maandelijks blad.
Maar ach, ik ben zo moe, het is gedaan,
Ik strijd niet meer met ene Comriaan.
Nu weet ik wat ik worden wil: Presbyteriaan.
Naar Schotland wild’ ik toch al gaan.
Daar zing ik onberijmde psalmen,
Met ieder die er mee wil galmen.
Mijn tere hart vindt metgezellen,
Geen orgel zal mijn ziel meer kwellen.
Waarom word ik geen Ledeboeriaan?
En zing met andere gemoedsbezwaarden
De oude psalmen van Datheen,
Want betere, je vindt er geen!
En als het eens mocht komen te gebeuren,
En is er ‘n dominee, dan kerk ik door de week,
Maar zondags zit ik thuis en lees een oude preek.
Soms ben ik voor een week of wat Steenblokkiaan,
En zeg: “Die predikers vandaag de dag
Zijn veel te ruim, te licht…
Ze bieden het maar aan!”
Eerst moet je nog…; eerst moet je toch…
En als je niet verkoren bent, ‘t is al vergeefs:
‘t Is dan alleen nog maar verloren gaan.
Ik weet niet wat ik kiezen zal.
Het is ook altijd juist een ander die er kiest,
Die jouw vernoemt naar één of andere ‘jaan’.
Misschien ben jij (je weet het immers niet)
Een Sociniaan, of Semi- of gewoon Pelagiaan,
Of Antinomiaan, een Arminiaan of Kuyperiaan,
Of slaapt er diep in jou de oude Ariaan.
Misschien ben jij (je weet het immers niet)
Een Neocalvinist, een Hypercalvinist,
Een Kerkist of een Darby-ist.
Ja, mogelijk zit er diep in jou een Atheïst,
En ben je slechts Religie Hobbyist.
Och, ‘t is altijd een ander die ‘t voor jou beslist.
O, schrik maar niet, hoever een mens kan gaan.
Soms klemt de vraag, bij dag en nacht,
Bij zon en maan:
“Ben ik slechts kaf of ben ik graan?”
Maar wij zijn Synodaal,
Of Oud- of Christelijk Gereformeerd,
Of van de Bond, Hersteld, of van ‘t Gekrookte Riet.
Wij zijn geen ‘janen’, zo u ziet.
Wij zijn niet van dat soort —
Het rijmt ook immers niet!
Ik laat u zo niet gaan,
U leeft nu in een waan!
Want in de taal van God, geschreven in Zijn Boek,
Daar staat uw soort, en achter uwe naam,
Geschreven in een vreselijk schrift:
Een ‘JAAN’.
O, Heer’, als ik eens kiezen moest,
Van al die ‘janen’ één!
Kies Gij voor mij, geef mij een nieuwe naam,
Noem Gij mij: CHRISTIAAN.
De bruid, de vrouw des Lams.
Genoemd met Uwe Naam.
Die Naam zo groot, zo heilig en zo rein —
Ik ben ‘t niet waard, naar U vernoemd te zijn.
Maak mij gelijk U eenmaal was,
Zolang ik hier beneden ga
En loop in deze baan.
Maak mij door Uwe Geest:
Een SAMARITAAN.
Bron citaat: info@maartenluther-citaten.nl (homepage: http://www.maartenluther-com)
‘Een Samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde.‘ (Uit Lukas 10 : 25-37 : 33-34)
Bron afbeelding: CBM Australia