Geen vrijbrief voor de zonde, wel voor de zondaar…

Wij weten dat dat de Wet in alles wat zij zegt alleen (nog*) tot degenen spreekt die nog aan de Wet onderworpen zijn. Maar uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. Daarom is geen sterveling onschuldig (en rechtvaardig voor God) omdat hij of zij de Wet (zo voorbeeldig) naleeft, want juist de Wet leert ons (onze) zonde(n) kennen.’ (Uit Romeinen 3 de verzen 19-20)
* Zie o.a. Galaten 5 : 1-5.

Geciteerd 1: De eerste ‘verbetering’ die Kohlbrugge aanbrengt in het Avondmaalsformulier betreft een aanvulling op het onderwijzende gedeelte ervan. Deze toevoeging volgt direct na de passage waarin wordt benadrukt dat wij niet tot het avondmaal komen “om daarmee te tonen dat wij in onszelf volkomen en rechtvaardig zijn. Integendeel, aangezien wij (gelovigen) ons leven – altijd weer! (AJ) – buiten onszelf in Jezus Christus zoeken (en belijden/weten!), belijden wij daarmee dat wij midden in de dood liggen.” In deze zinnen worden twee werelden tegenover elkaar gesteld: die van de (gelovige) Farizeeër en die van de (gelovige) tollenaar. Waar “in onszelf’ verwijst naar zelfgenoegzaamheid en eigen gerechtigheid staat “buiten onszelf” voor het zoeken van leven en gerechtigheid in Christus alleen. Op dit punt onderbreekt Kohlbrugge de lezing van het formulier en voegt hij er een pastorale en troostvolle aansporing toe, speciaal gericht aan de tollenaar, de zondaar die zich onwaardig acht: “Laten we dus goed verstaan en er aan vasthouden dat dit sacrament een artsenij is voor zieken en bekommerden, en dat de waardigheid die God van ons vordert, alleen daarin bestaat dat wij ons ongeveinsd zo erkennen zoals wij zijn, over onze zonde(n) smart en droefheid ondervinden en al onze vreugde en lust (en zaligheid) in Christus hebben.”
Met deze woorden richt Kohlbrugge zich tot de aangevochten zondaar, die worstelt met zijn of haar onwaardigheid en juist daardoor dreigt te wankelen (en af te blijven van het Avondmaal).

Geciteerd 2: Een opvallend nieuw element dat Kohlbrugge in het avondmaalsformulier opneemt, betreft de uitnodiging, die hij invoegt na de opwekking tot deelname. (…) In Spreuken 9 wordt gesproken over een feestmaal dat is aangericht door de opperste Wijsheid. Haar dienstmeisjes worden eropuit gestuurd om mensen uit te nodigen. Kohlbrugge ziet hierin een diep geestelijk beeld, dat hij doortrekt naar het heilig avondmaal. Voor hem is vers 4 daarbij de kern: “Wie is er onverstandig? Laat hij/zij hierheen afwijken.”
Aan tafel worden dus juist de onverstandigen genodigd. In de Duitse vertaling gebruikt Kohlbrugge het woord Albern, wat iets betekent als eenvoudig, dwaas of onbeduidend.

In een preek legt Kohlbrugge uit: “De nodiging geschiedt tot allen die slecht zijn, dat betekent: eenvoudig, argeloos.” Het zijn mensen die “vanwege hun zonden en vervloeking niet weten waar zij het anders zoeken moeten”. Ook deze toevoeging in het formulier weerspiegelt het hart van Kohlbrugge’s theologie [=verstaan van Gods Woord]. De nodiging tot degene voor wie niets duidelijk is dan de eigen onheiligheid. Hij komt (en durft) aan tafel als een onheilige heilige, omdat het (uitnodigende) Woord van God, Christus Jezus, het enige is wat voor hem of haar geldt.

Geciteerd slot: Kohlbrugge sluit het formulier af met de lofprijzing; het daaropvolgende slotgebed laat hij achterwege. Waarom hij daarvoor kiest is niet met zekerheid te zeggen. De term ‘verbeteringen’ suggereert dat het oorspronkelijke avondmaalsformulier tekort schiet, maar dat was wat Kohlbrugge betrof zeker niet het geval. Zijn aanpassingen vormen een verdieping en aanscherping vanuit zijn verstaan van Gods Woord. Ze weerspiegelen zijn nadruk op de radicale genade, de geestelijke armoede van de zondaar en de volkomenheid van de eenheid met Christus in het Avondmaal.

Zie ook deze blog: ‘Over een evangelisatietentje van arts Bunyan…

Bron citaat: De Waarheidsvriend, 15 januari 2026 – ‘Kohlbrugge ‘verbetert’ het avondmaalsformulier’ – door H. Boele (kerkhistorisch publicist)

Niemand van ons leeft voor zichzelf, en niemand van ons sterft voor zichzelf. Zolang we leven, leven we voor de Heer, en wanneer we sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer. Want Christus is gestorven en weer tot leven gekomen om te heersen over de doden en de levenden. Wie bent u dat u een oordeel velt over een broeder of zuster? Wie bent u dat u neerziet op een broeder of zuster? Wij zullen allen voor Gods rechterstoel komen te staan, want er staat geschreven: “Zo waar Ik leef – zegt de HEER -, voor Mij zal alle knie zich buigen, en elke tong zal God loven.” Ieder van ons zal zich dus tegenover God moeten verantwoorden.’ (Uit Romeinen 14 de verzen 7-12)

Bron afbeelding: Bible Portal

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie