Een schaap (a) is een schaap, is een schaap en blijft een schaap…

Matteüs 18:12-14 luidt: “Wat zal hij doen als één ervan wegloopt en verdwaalt? Zal hij dan niet de negenennegentig andere in de bergen achterlaten en op zoek gaan naar het ene dat verdwaald is? En als hij het vindt, dan zal hij, dat zeg ik jullie, zich meer verheugen over dat ene schaap dan over de negenennegentig die niet verdwaald zijn. Zo is het ook de wil van jullie Vader in de hemel dat niet één van deze kleinen verloren gaat.”

Geciteerd 1: Deze lieve Man (Zoon van God), de trouwe en hartelijke Bisschop [Opziener, Herder] van onze mensenziel, Jezus Christus, heeft goed gezien (geweten, Hij weet wat in de mens is) dat Zijn lieve christenen vol gebreken zouden zijn, en daarbij door de duivel, vlees en wereld dikwijls en zonder ophouden zouden worden aangevochten. Bovendien dat zij ook zouden vallen en zondigen. Daartegen heeft Hij dit medicijn (1) ingesteld: de sleutel die bindt, opdat wij niet vrijmoedig, roekeloos, onbeschaamd en onbekommerd zouden doorgaan in de zonde (2). De sleutel die losmaakt: dat wij ook in de zonde niet zouden hoeven te wanhopen, maar in het midden tussen roekeloosheid en radeloosheid in ware deemoed staande zouden blijven, opdat wij op alle manier rijkelijk verzorgd zouden zijn. (3) Die niet zondigt (wie zondigt er niet?), heeft het openbare Evangelie, wie echter in de zonde valt, die heeft het Evangelie en de sleutels.
[Maarten Luther: Onderwijzing van de visitatoren aan de predikanten, 1528]

(1) Het gebruik van de sleutels is medicinaal. Zij bestaat in feite uit de volle verkondiging van Gods Woord waardoor wij allen ‘bij de les’ worden gehouden, niemand uitgezonderd. De gemeenten zullen altijd weer luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten te zeggen heeft. Bedenk hoe nodig dat was voor de zeven gemeenten in Klein Azië. Ligt het voor ons anders?
(2) Bij de volle verkondiging van Gods Woord zullen de zonden waaraan wij mensen ons schuldig maken worden aangewezen en wij worden eraan ontdekt door het werk van de Geest. Wij zullen altijd weer beseffen dat we niet zonder het eerbiedig en trouw gebruik van de ons beschikbaar gestelde ‘medicijnen’ kunnen leven.
(3) De gemeente is een plaats waar onze Goede Herder en Geneesheer zorgen wil voor heel de kudde en dat mee doordat wij goede zorg dragen voor elkaar. Daarom zullen wij ook het goede en regelmatige medicijn gebruik – ‘de middelen’ die God Zijn Gemeente schonk en schenkt – niet nalaten, maar het gebruik ervan juist stimuleren en elkaar aanraden.

Geciteerd 2: Het zou ook goed zijn als men de straf van de goede christelijke ban, waarover geschreven staat in Matteüs 18 (vgl. vers 17 vv), niet helemaal in onbruik laat komen. Daarom mogen degenen die in openbare zonden leven, zoals echtbreuk, dagelijkse overdaad en dronkenschap en dergelijke zonden meer, en dit niet willen nalaten, niet tot het heilige sacrament worden toegelaten. (4) Toch moeten zij daarvóór verscheidene keren vermaand worden zich te beteren. Daarna, als zij zich niet beteren, mag men hen de ban aanzeggen. Deze straf moet niet veracht worden, want omdat het een geboden vloek is over zondaren, mag men die niet minachten. (5) Deze vloek is niet zonder gevolgen, zoals Paulus in de eerste brief aan Korinthe, iemand die met zijn stiefmoeder sliep, heeft overgegeven aan de satan tot verderving van het vlees, opdat de geest zalig zou worden op de dag van onze Heer Jezus Christus (vgl. 1 Korintiërs 5 : 5). (6) Zij die in de ban gedaan zijn mogen echter wel onder de prediking komen, want daar laat men ook de ongelovigen en de heidenen toe. (7)
[Maarten Luther: Von den Schlusseln, 1530, vgl. WA 30.2, 504, 12-24; Unterricht der Visitatoren an die Pfarrherrn, 1528, vgl. WA 26, 233, 24-35]

(4) In feite is het genoeg om iemand aan te zeggen* dat hij of zij niet (meer) behoort aan te gaan, wanneer de aangezegde zou laten blijken zich niet van een of meer bepaalde zonden te willen bekeren. Maar het lijkt me – Bijbels gezien! – niet juist dat ook van ons (de christelijke gemeente/de leden van het pastoraat) gevraagd wordt om iemand daadwerkelijk af te gaan houden van de Avondmaalstafel. Dat blijft toch de verantwoordelijkheid van degene die te horen heeft gekregen dat hij of zij niet meer aan de Avondmaalstafel behoort aan te gaan.
* Men maakt dan duidelijk dat dit medicijngebruik niet tot zegen zal zijn – zie hierbij 1 Korintiërs 11 : 27-32.
(5) Wanneer minachten wij die vloek? Degene die de (ban)vloek aangezegd is, die zou deze vloek kunnen minachten, maar degenen die de (ban)vloek uitspreken, die zullen dat toch met alle eerbied voor Gods Woord hebben te doen, al toont de kerkgeschiedenis veel droeve misstanden op dit gebied.
(6) Ook in dit geval dus een ‘werkwijze’ met een ‘medicinaal’ doel.
(7) We zullen zo’n (hardnekkig/onbekeerlijk) gedoopt lid van de gemeente blijven zien en aanvaarden (behandelen) als een schaapje van de kudde van onze Heer en daarom zullen we ze nooit van dat medicijngebruik afhouden of hen die ontzeggen! Het is aan onze Heer om dat gebruik van de medicijnen te zegenen.

Leestips: Matteüs 18 (geheel!) en Lukas 15 (geheel!)

Zie ook: ‘Over medeschapen helpen en redden – over sleutels en de biecht (vervolg I)‘ en ‘Elkaars menselijkheid centraal (blijven) stellen…

(a) Wij zullen een gedoopt mensenkind altijd als kind van God hebben te erkennen en terechtwijzen en tot bekering roepen waar en wanneer nodig. Maar dat terechtwijzen en bekeren en schuld belijden dat hebben alle schapen nodig. Als dat niet zo was, dan konden we de zondagse samenkomsten met Woordverkondiging, Doop en Avondmaal en onze gezamenlijke lofprijzing en gebeden wel afschaffen.

Bron citaten: ‘Maarten Luther – Mijn enige troost – 365 dagen met de HC’ – Meditatie bij Zondag 31 vraag 84: ‘Hoe wordt het hemelrijk door de prediking van het heilig evangelie ontsloten en toegesloten’ – Samengesteld en vertaald door H.C. van Woerden sr. – Den Hertog uitgeverij (2015)

Toen deze dienaar – van wie een grote schuld kwijtgescholden was – naar buiten ging, trof hij daar een van de andere dienaren, die hem honderd denarie schuldig was. Hij nam hem in een wurggreep en beet hem toe: “Betaal me alles wat je me schuldig bent!” Toen wierp deze zich voor hem neer en smeekte hem: “heb geduld met mij, ik zal je betalen.” Maar hij wilde daar niet van weten, integendeel, hij liet hem gevangen zetten tot hij de hele schuld zou hebben afbetaald.’ (Uit Matteüs 18 de verzen 28-30)

Bron afbeelding: SlidePlayer

Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie