‘Wees waakzaam, wees op jullie hoede, want onze vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar prooi.’ (Uit 1 Petrus 5 vers 8)
Geciteerd 1: De duivel is evenals Christus alomtegenwoordig, hij reageert en agiteert (1) uitgedaagd door alles wat naar Christus en geloof zweemt. Hier voltrekt zich een radicale omkering van de middeleeuwse voorstelling van de duivel, die meende dat de boze slechts aan het licht brengt hoezeer zonde en wereld bij elkaar horen. Luther denkt over deze samenhang heel anders: Niet het leven dat zich afspeelt in de wereld, en met werk en zaken te maken heeft, krijgt last met de duivel, maar de tegenstander is integendeel juist daar waar Christus aanwezig is: ‘Wanneer de duivel ons lastig valt dan staat het er goed met ons voor’!
Geciteerd 2: Het is een gevaarlijke onderneming zich te verdiepen in de Schrift. Want het Woord van God is ongehoord en dientengevolge allesbehalve ‘geloofwaardig’. Integendeel zelfs, het staat volstrekt in tegenspraak met ons verstand en onze ethische opvattingen, met als gevolg dat het twijfel of angst teweeg brengt. Dat zijn aanvechtingen, duivelse aanvechtingen, waardoor Luther zijn hele leven werd geplaagd. Ze behoren zo zeer tot zijn menselijke eigenschappen, tot de structuur van zijn persoonlijkheid en tot zijn karakter (2), dat het er op aan komt de auteur Luther helemaal te doorgronden (3) om de mens Luther te kunnen ontmoeten. De aanvallen van de duivel zijn doelgericht en effectief, ze slaan het slachtoffer neer, beroven hem van alle vreugde die men aan God en de mensen kan beleven. Voor enige tijd maken ze God en het eigen ‘ik’ onverdraaglijk. Eén en soms wel twee dagen lang (4) brachten de aanvechtingen Luther in het nauw (5). Het afschuwelijke van deze toestand is dat die dagen een eeuwigheid leken te duren. Op zulke momenten leek er geen uitweg te zijn en was er geen kijk op dat er ooit nog een einde aan zou komen.
Geciteerd 3: In zijn Grote Catechismus plaatst Luther de aanvechting die het gevolg is van een aanval van de duivel, in het middelpunt van zijn verklaring van de zesde bede uit het onze Vader: ‘En leid ons niet in verzoeking’. Zijn uitleg corrigeert de middeleeuwse voorstelling dat de duivel ieder mens door zijn vleselijke verlangens in verzoeking zou brengen.
Geciteerd 4: De verzoeking moet ons bewaren voor een vals gevoel van zelfvertrouwen (6) Daarom moeten wij Christenen, als kinderen van God, er tegen gewapend zijn en ons dagelijks bewust zijn dat we voortdurend worden aangevochten worden. Niemand mag zo zelfverzekerd en onachtzaam leven als zou de duivel ver weg zijn van ons, maar wij moeten voortdurend bedacht zijn op zijn streken en ze pareren. Want ook al ben ik op het moment kuis, geduldig en vriendelijk en leef in vast geloof, de duivel kan mij op hetzelfde moment een pijl in het hart schieten, dat ik nauwelijks op de been blijf. Hij is een vijand die nooit verslapt of moe wordt (7). Daarom is er geen andere raad en troost dan hierheen te lopen om het Onze vader te nemen en met heel het hart met God te spreken: ‘Lieve Vader, U hebt mij geleerd – door het onderwijs van Uw lieve Zoon – (hoe) te bidden; laat mij niet door de verzoeking terugvallen in zonde, schande en ongeloof’.
(1) En dat reageren en agiteren doet hij in ons eigen hart en verstand, maar ook via broeders en zusters en andere medemensen valt hij ons aan.
(2) Wordt hier toch niet teveel toegeschreven een de mens Luther. Was hij als (toekomstig) ‘reformatie-instrument’ in Gods hand niet juist ook daarom al doelwit van de boze. Heeft God niet juist ook deze aanvechtingen willen gebruiken om Luther tot lezen en herlezen van Gods Woord aan te zetten en om dat vol te houden tot hij gevonden had waar hij naar zocht in de Schrift (!).
(3) Wie kan een mens helemaal doorgronden – zie hierbij ook de woorden van Paulus in 1 Korintiërs 2 : 11-16 en 4 : 1-5.
(4) Voor zijn ontdekking van ‘de vrolijke ruil’ had hij ook wel langduriger last van wanhoop gedachten.
(5) Denk hierbij ook aan wat Paulus schreef over zijn doorn in het vlees – zie 2 Korintiërs 12 : 7-10.
(6) Aanvechtingen behoren ook tot de tuchtigingen van Gods kinderen – zie Hebreeën 12 : 1-13 en (5).
(7) Daarom dienen we onze wapenrusting dan ook goed te onderhouden met alle middelen die God ons daartoe geschonken heeft.
Bron citaten: ‘Maarten Luther – mens tussen God en duivel’ – ‘VI. De aangevochten Reformator’ – van Heiko A. Oberman (1930-2001), hoogleraar kerkgeschiedenis.
‘Ten slotte, zoek je kracht in de Heer, in de kracht van Zijn macht. Trek de (volle) wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel.‘ (Uit Efeziërs 6 : 10-20 de verzen 10-11)
Bron afbeelding: Pictorem-com