‘De stad Bethel had Sareser en Regem-Melech met zijn mannen afgevaardigd om de gunst van de HEER af te smeken en om aan de priesters van de HEER van de hemelse legermachten en aan de profeten de volgende vraag voor te leggen: “Al jarenlang wordt er bij ons in de vijfde maand getreurd en gevast. Is het werkelijk nodig dat we dat blijven doen?”‘ (Uit Zacharia 7 de verzen 2-3)
Geciteerd 1: We zitten nu inmiddels in het vierde jaar van koning Darius, dat is twee jaar na de aanvang van de tempelbouw, en als de kerk zich zo geleidelijk ontwikkelt, komen als vanzelf ook verschillende vraagpunten aan de orde. Na de benauwing en strijd van de eerste jaren gunt men zich nu de weelde van het theologisch dispuut… (…) Kennelijk was het de bedoeling over de betreffende kwestie een principiële uitspraak te verkrijgen en ze legden daarom hun vraag niet alleen voor aan de priesters, maar ook aan de profeten die onder een bijzondere verlichting van de Heilige Geest stonden. (…) Sareser en de zijnen willen met hun vraag niet alles overhoop halen. Er waren immers wel meer van die vastendagen. Alleen over de voornaamste vastendag (vanwege de verwoesting van de tempel door de Chaldeeën) vragen ze nu een uitspraak van de synode, en uit de principiële beslissing van deze vergadering zullen ze dan meteen hun consequenties kunnen trekken voor de overige vastendagen. Zowel formeel als materieel wensen zij de zaak correct te behandelen.
Geciteerd 2: Namens het college van priesters en profeten is Zacharia als rapporteur opgetreden. Beter gezegd: namens de Here heeft hij de vragers van antwoord gediend, want ‘het woord van de HEER geschiedde’ tot hem (vers 4) en men kan gerust zeggen dat geen synodale beslissing ooit zozeer onder de leiding van de Heilige Geest (1) heeft gestaan, als dit antwoord aan de afgevaardigden van Bethel.
Geciteerd 3: Het is mogelijk dat iemand zegt: dit antwoord interesseert mij niet, omdat de vraag (van toen) mij niet interesseert. In dit laatste schuilt een groot element van waarheid. Vragen over het al of niet vasten hebben nauwelijks of niet onze belangstelling meer, en zijn door kwesties van geheel andere aard vervangen. In het licht van de problemen die vandaag het kerkelijk leven beroeren, en de agenda’s van de synodes vullen, zou misschien de vraag gesteld kunnen worden: waar maakten die mensen zich toch druk over. Men behoeft daarvoor trouwens niet tot Anno 4 van Darius terug te gaan, en wie zal zeggen hoe latere generaties over ónze brandende kwesties denken. Maar dat neemt niet weg dat het antwoord van Zacharia ons wél interesseren moet. In de eerste plaats natuurlijk omdat het een openbaring van de HEER is, en die openbaring is voor alle eeuwen. Zacharia moest niet alleen in besloten zitting de afgevaardigden van Bethel beantwoorden, maar publiek zijn woord spreken ‘tot heel het volk in dit land‘ (vers 5) en daar horen wij ook bij!
Maar in de tweede plaats is dit antwoord ook voor ons van het hoogste belang om twee redenen, die hierna volgen.
Geciteerd 4: In zijn antwoord heeft Zacharia niet beweerd, dat de kwestie van het vasten de Here volkomen onverschillig was, zoals diegenen volhouden, die alle uitwendige vormen en formuleringen van nul en generlei waarden achten. De ziel vereist nu eenmaal een lichaam, de kerk een instituut en het geloofsdogma een formulering. In de vraag ‘Hebben jullie dan voor Mij gevast?’ ligt zelfs opgesloten, dat God die vastendagen wel kon waarderen, als het tenminste voor Hém gebeurde. Als teken van verootmoediging van het hart kan zo’n vastendag de Here aangenaam zijn, want de offers voor God zijn een geheel verbroken geest (Psalm 51 : 18-19). Maar het schijnt dat er meer geweend werd om het verlies van het beloofde land en de tempel dan om de zonde, en zo wordt het verwijt: Jullie hebben niet voor Mij gevast, maar voor jullie zelf, bijzonder scherp. Zulke veruitwendigde godsdienst is voor de Here een gruwel.
Geciteerd 5: Wat Zacharia nu vooral naar voren wil brengen is dit, dat ze de hoofdzaak niet mogen vergeten. Ze hebben zich zo in hún allerbelangrijkste kwesties vastgebeten, dat wat het eigenlijke is van de dienst aan God op de achtergrond is geraakt. Want het Koninkrijk van God is niet gelegen in spijs en drank, in bepalingen en strijdvragen, maar zo zegt de HEER: ‘betracht waarheid in jullie rechtspraak, en beoefen liefde en barmhartigheid jegens elkaar; weduwe en wees, vreemdeling en arme zullen jullie niet onderdrukken, en niemand zinne in zijn hart op het ongeluk van zijn broeder of zuster’ (verzen 9-10).
Vat men dit alles samen in de taal van het Nieuwe Testament, dan komt het hier op neer, dat de profeet aan de mensen die zich zo druk maken over allerlei kwesties, te bedenken geeft dat ze vóór en in alles het beeld van Christus zullen vertonen. Dat is de zuivere en onbevlekte godsdienst/eredienst! (2)
En als een van de vragers ter synode zou geïnterrumpeerd hebben: daar schieten we niets mee op, dat is een heel andere kwestie, dan zou Zacharia geantwoord hebben: juist, dat is ook een heel andere kwestie, maar dit is de kwestie die God het meest interesseert, en als jullie daar nu ook maar heel veel mee bezig zijn, hoe het leven van Christus in jullie tot openbaring komt (‘gestalte krijgt‘ – zie Galaten 4 : 19), door niet in jullie hart te bedenken een ander kwaad te berokkenen, dan wordt dit een kwestie van het hoogste belang, en volgen júllie kwesties als dingen van de tweede (of mindere) rang. Bovendien zijn júllie kwesties dan de oplossing nabij!
Geciteerd slot: Zo wordt dit profetisch antwoord ook voor ons allerbelangrijkst. En beschamend!
Het gevaar is niet denkbeeldig , dat wij zo druk met allerlei – volgens het onderwijs van Gods Woord – bijzaken in de weer zijn, dat we de hoofdzaak uit het oog verliezen; muggen uitzuigen en kamelen doorzwelgen. Het koninkrijk van God is niet gelegen in woorden, principiële uitspraken, uitwendige vormen en vastendagen, maar in kracht. Het feit dat er vele gewichtige vragen aan de orde zijn, is op zichzelf nog geen bewijs van leven. Het kan ook levenmakerij en bravour zijn. Hét levensteken is, dat Christus in ons heerschappij voert. Dé hoofdvraag die als punt één moet staan op elk synodaal agendum, op het program van elke levensdag is niet: moet ik wenen in de vijfde maand en mij onthouden, zoals ik nu reeds zoveel jaren heb gedaan’, maar heb ik lief? Dat was ook de vraag, die aan Petrus gesteld werd, alvorens hij zijn ambtelijk werk kon verrichten om de schapen te weiden en de lammeren te hoeden.
Als deze kwestie maar is ‘opgelost’, verdwijnen heel wat kwesties, terwijl andere de oplossing nabij zijn.
(1) Denk hierbij ook aan het apostelconvent in Jeruzalem (Handelingen 15) en hoe ‘onvoorstelbaar beperkt’ deze synode de gemeente in Antiochië ‘de les las’ (voorschreef)!
(2) Zie hierbij Romeinen 12 en Jakobus 1 : 25-27.
> Zie hierbij ook: ‘Ambtsherstel bij priester en volk…’
Bron citaat: Het boek ‘De twee getuigen (Haggaï en Zacharia)’ van ds. H. Veldkamp (1895-1956)
‘Hier zullen jullie je aan houden: Spreek de waarheid tegen elkaar, bewaar de vrede door eerlijk en rechtvaardig recht te spreken; wees er niet op uit om een ander kwaad te doen en laat je niet verleiden tot meineed, want daar heb ik een afkeer van – spreekt de HEER.’ (Uit Zacharia 8 de verzen 18-19).
Bron afbeelding: Kingdom Way
(Bible Verses to help you Speak The Truth In Love)