Welgedane en zelfvoldane schapen…

Een regelmatig voorkomende oorzaak van een op haar rug liggend schaap is eenvoudig dat het te vet is. Het is een algemeen bekend feit, dat te vette schapen noch de productiefste, noch de gezondste schapen zijn. En het zijn juist die vetzakken, die het meest met hun poten in de lucht komen te liggen. Hun gewicht maakt het zoveel moeilijker voor ze om weer vlug en gemakkelijk op de poten te komen.

Als we nu weer kijken naar het leven van een christen, dan worden we geconfronteerd met hetzelfde soort probleem. Dan zien we mannen en vrouwen die, doordat ze het aardig versierd hebben in zaken of in hun baan, vinden dat het hun goed gaat en dat ze „arrivé” zijn. Ze hebben een soort zelfverzekerdheid over zich, die op zich een gevaar inhoudt. Want als we het meest zeker zijn van onszelf, lopen we de meeste kans diep te vallen.

In zijn waarschuwing tot de Kerk in Openbaring 3 vers 17 wijst God er nadrukkelijk op, dat hoewel sommigen zichzelf rijk en welvarend vonden, zij in werkelijkheid in wanhopig gevaar verkeerden. Hetzelfde werd door Jezus gezegd in de gelijkenis van de rijke boer, die van plan was om nog grotere schuren te bouwen, maar die in werkelijkheid stierf voor hij zijn plan kon volvoeren.

Materieel succes is nog geen maatstaf voor geestelijke gezondheid. Ook is uiterlijke welvaart geen bewijs, dat God het goed met ons voor heeft. Het is heel goed voor ons, dat de Herder van onze zielen dwars door deze vernisjes heen ziet en zijn maatregelen neemt om de zaken weer recht te trekken.

Hij kan ons best wel eens als een soort dieet, een stukje vorming opleggen, dat wij aanvankelijk rauw en onprettig zullen vinden. Maar dan moeten we onszelf opnieuw voor ogen houden, dat het allemaal gebeurt in ons belang, omdat Hij ons liefheeft en omdat Hij het aan zijn grote reputatie als de Goede Herder verplicht is. In Hebreeën 12 lezen we hoe God hen die Hij liefheeft, kastijdt. (1) Op het ogenblik zelf moge het een harde maatregel schijnen, maar de zin ervan is dat het een leven van rust en vrede voortbrengt, vrij van het knagende gevoel te zijn neergeworpen als een hulpeloos schaap.

(1) Kastijden:  iemand tuchtigen/straffen uit liefde met een opvoedkundig doel, wetende dat hij beter af is met deze opvoedkundige maatregel dan zonder.

4 Jullie hebben nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde, 5 en jullie hebben de vermaning (onderwijs) vergeten, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht de tuchtiging van de Heren niet gering, en verslap niet, als je door Hem bestraft wordt, 6 want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt. 7 Als tuchtiging hebben jullie dit te dragen: God behandelt jullie als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? 8 Blijft jullie echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijn jullie bastaards, en geen zonen.
(…)
11 Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart (verdriet) te brengen, maar later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid. (Uit Hebreeën 12)

Bron: Hoe een herder Psalm 23 ziet – Philip Keller: woonde jarenlang tussen eenvoudige herders in Oost Afrika, daarnaast acht jaar eigen ervaring als schapenfokker en later werkzaam als predikant en herder van “zijn (mensen)kudde”.

Dit bericht werd geplaatst in Bijbel, Diversen, Gemeente, Huwelijk en gezin. Bookmark de permalink .

Plaats een reactie