Typering van prof. dr. K.J. Popma

Beknopte (poging tot) typering van de mens prof. dr. K.J. Popma

Bron: “Geschiedenis van de Reformatorische Wijsbegeerte”  van Johan Stellingwerff (Uitgave SCF, 2006)
Over “Klaas J. Popma als romanschrijver” schreef Okke Jager, een andere vruchtbare schrijver: “Al zijn schrijven blijft fragmentarisch” maar ook “in zijn eerste roman heeft hij aan alle griekse, joodse, menselijke vragen over noodlot, voorzienigheid, natuurwetmatigheid en innerlijke fataliteit de ruimte gegeven zonder ontijdige antwoorden te forceren.” Die roman: De zonde van Jan der Kindere werd door zijn broer ds. S.J. Popma geplaatst bij de beste Nederlandse naoorlogse romans terwijl Puchinger, die er uitvoerig over schreef, het uit eigen ervaring geschreven werk een der beste christelijke romans van na de tweede wereldoorlog noemde. Okke Jager merkte op: “Popma ziet heel het mensenleven als een stroom van daden die voortkomt uit het hart, zonder verschil tussen binnen en buiten: ook de begeerte en het overleg en zelfs de droom zijn daadwerkelijk.” Zoals de herschepping een herschepping van de tijd meebrengt, zo wordt het paradijs behouden in de continuïteit van de menselijke geschiedenis. Jager citeerde: “De eigen betekenis van het Hooglied ligt in de concreetheid van het opnieuw actueel wordende paradijs in het mensenleven. Als vaders en moeders de glans zien in de ogen van hun kleine kinderen, zien zij de bijna beangstigende nabijheid van het paradijs”. Van Popma citeerde Jager verder: “Deze wereld is ook nu nog een Godstuin; wie er theologisch naar zoekt, zal het paradijs niet vinden, maar wie er aandachtig voor openstaat, zal er binnenkomen”. Dat geldt ook de omgang met opgroeiende debiele kinderen, die soms thuis onhoudbaar zijn geworden, zoals Popma zelf beleefde: “Als hij opmerkingen maakt over de catechismus, komen de zwakzinnigen niet bij de ellende ter sprake, maar bij de verhoging van Christus: ‘Er zijn ‘geesteszwakke kinderen’ van wie we mogen vermoeden, dat ze geen zonde meer kunnen doen. Maar ze heersen met Christus als koningen, al weten we niet hoe. Misschien regeren ze met Christus doordat ze aan enkele ‘volwaardige’ (vreemde term!) mensen een indruk geven van de realiteit der zondeloosheid hier en nu.” Jager merkte tenslotte op: “Popma heeft scherp gezien dat er christenen zijn die nooit opstandig worden, omdat hun geloofsleven permanent een verlaagde bewustzijnsgraad heeft. Zelfs in opstandigheid kunnen wij de Here tot hulp zijn.
Wat opviel in de bundel Het leven beschouwd is dat een hoogtepunt (1) in het werk van Popma ontbrak. Dat was de Lofrede die Klaas Popma hield op de Laus Stultitiae van Desiderius Erasmus en die hij verborg in “Erasmus herdacht”. De Lof der Zotheid was Erasmus puur, die met zelfspot een plaaggeest van de monniken, theologen, kardinalen en pausen en vele anderen was. Popma noemde het boekje ‘een protest tegen de geest der eeuw’ en een “Wendepunkt der Geistesgeschichte.” “Erasmus was de apostel van de menselijke solidariteit” die daarin meermaals wat ver ging maar ook een breuk bracht met de ongeletterdheid.
Popma is niet in een paar bladzijden te karakteriseren, maar zijn kritische ironie blijkt uit een briefkaart die hij op 22 juni 1951 aan Vollenhoven schreef in een tijd dat hij vond te weinig te verdienen omdat de onkosten voor zijn zwakzinnige zoon opliepen: “Am, Ik heb verleden jaar, door geldzorgen genoopt, een roman geschreven! Lach niet. Hij heet: De zonde van Jan der Kindere, en handelt over de zonde van kinderachtigheid. Zetka heeft mijn manuscript, aangekocht voor vier mille. Wat een opluchting! Verschijnt nazomer 1952 in de reeks van Zetka. Het is uiteraard een beetje een geheim. Hart. Gr. T.t. KJPopma. P.S. Ik kon er maar 3 week aan besteden. Dat weet niemand!”
(1) Dit lijkt mij (AJ) toch echt veel te sterk uitgedrukt, tenminste wanneer we letten op het totale werk van Popma en zijn voortdurende kritiek op de humanistische geest(en).